Een dag in Deventer
Olivier Rieter
Foto's: S. Crawford en A.J.A. Hendrikx
Op een mooie dag in mei bracht ik met enkele vrienden een bezoek aan Deventer. Ik was nooit eerder in deze Hanzestad geweest, al maakte ik ooit een bewerking van een volksverhaal uit de stad. In wat volgt wil ik verslag doen van mijn indrukken en associaties bij het wandelen door deze locatie. Het gaat me niet om de geschiedenis van Deventer an sich, hoe interessant ook, maar om de effecten van ‘verledenheid’ die worden opgeroepen door de visuele prikkels die we waarnamen.
Welk verhaal wordt in Deventer over ‘vroeger’ verteld en hoe wordt er een bepaalde sfeer opgeroepen. Het gaat me dus om de manier waarop met het verleden gespeeld wordt en de wijze waarop de bezoeker bespeeld wordt.
Dickens
Deventer is tegenwoordig mede bekend van het Dickensfestival waarin mensen als negentiende eeuwers uitgedost naar de Overijsselse plaats afreizen. In het straatbeeld zien we onder meer door muurschilderingen verwijzingen naar Dickens en ook diverse etalages zijn aan de schrijver en zijn personages gewijd.
De connectie van Deventer met Dickens is in eerste instantie historisch gezien moeilijk te duiden: geen van Dickens’ verhalen speelt immers in Deventer en ook Dickens zelf was tijdens zijn leven niet met Deventer bezig.
Het verband tussen Deventer en Dickens is dus niet vanzelfsprekend. De connectie lijkt te zijn dat zowel de stad als het oeuvre van de Britse literator naar ‘vroeger’ verwijzen. Dat het om verschillende verledens gaat is voor de bezoeker aan het festival uiteindelijk misschien niet relevant, het gaat hen om het decor van ‘verledenheid’ waartegen de ouderwetse dracht goed uitkomt, terwijl de historicus eerder geneigd is ‘waarom’- vragen te stellen. ‘Waarom Dickens?’ ‘Waarom wordt er in het festival verwezen naar de negentiende eeuw terwijl veel van de huizen uit het grote centrum van Deventer ouder zijn?’
Dergelijke vragen zijn voor de belevingsconsument echter niet heel relevant. Die doet historische kennis en duiding mogelijk af als ‘leuke weetjes’, uiteindelijk vrij irrelevante informatie.
Het verband tussen Deventer en Dickens is dus kunstmatig. Het gaat, samengevat, om een relatie tussen verschillende verledens die voor de niet-historisch geschoolden natuurlijker is dan voor historici.
Objecten
Het gevoel en de sfeer van ‘vroeger’ kunnen bij mensen worden opgeroepen als ze in contact komen met objecten uit het verleden die aanwezig zijn in het heden. Men heeft dan een ‘o ja’- gevoel: in het verleden was het leven nog niet gestroomlijnd. In onze wandeling zagen we bijvoorbeeld een brievenbus buiten gebruik, die mooi paste bij zijn omgeving. Allerlei verledens (veel van de gebouwen zijn natuurlijk veel ouder dan de brievenbus) vormen samen een coherent geheel waarin naar ‘vroeger’ wordt verwezen. Zo vermengt men actief elementen in het straatbeeld zodat er bij de bezoeker een beeld van esthetiek ontstaat. Hij of zij ziet vooral de bekoorlijkheid van de visuele prikkels die de connotatie ‘vroeger is anders en misschien mooier’ hebben.
Decoratie
De getoonde in het stadslandschap getoonde objecten hebben een decoratieve waarde. Door sierlijkheid, fantasie en verwijzingen naar vroeger wordt er een cultureel spel gespeeld. De bezoeker die oog heeft voor de details van alles om hem of haar heen, zal meer uit een bezoek halen dan de toerist die soms niet werkelijk begrijpt wat wordt waargenomen.
Bij details gaat het vaak om ornamenten en versieringen die verwijzen naar een periode voor de functionalistische moderniteit. Dat ornament ook een functie heeft, namelijk een schoonheidseffect bewerkstelligen, dringt niet door tot een groot deel van de hedendaagse architecten.
Kroeg
Met mijn tochtgenoten bezocht ik enige terrassen en kroegen om de sfeer van Deventer te proeven. Een van mijn vrienden had ooit gewoond in Deventer en hij vertelde honderduit over zijn herinneringen, waarbij hij soms ook nog ging zingen. Zijn stamkroeg was destijds ‘De heksenketel’ een plek die nu korter ‘de heks’ bleek te heten.
We dronken er allerlei alcoholische dranken, die onze beleving kleurden. We waren er in een vertrouwde omgeving, omdat alle bruine kroegen in alle steden in Nederland sterk op elkaar lijken, een bewuste strategie om mensen zich op hun gemak te laten voelen, een ‘thuis-gevoel te scheppen. De bruine kroeg is een nostalgiserende plaats waar het hele interieur een emotioneel effect bewerkstelligt. Doordat de eigen beleving wordt afgegrensd van de rest van de omgeving met zijn talloze niet-eenduidige prikkels voelt de bezoeker zich er veilig in een coherente omgeving.
Opvallend aan bruine kroegen is dat er relatief gezien niet veel allochtonen komen. Het lijkt te gaan om een vorm van autochtone gezelligheid.
Voor meer over kroeggezelligheid:
de-huiskamer-van-de-geest.
Stadhuis
Het is hier niet mijn bedoeling veel over architectuur of architectuurvisies te zeggen. (zie voor meer over achitectuur: architectuur.)
Over een bepaald gebouw wil ik echter iets meer opmerken. Bij het passeren van het nieuwe stadhuis van Deventer hoorde ik een vrouw in Overijsselse tongval tegen haar vriendin zeggen: ‘Wat een ontzettend lelijk gebouw, naast dat mooie gebouw’. Ze had het over de nieuwbouw van het Deventer stadhuis, naast een inderdaad mooi oud ogend pand. Ik verschil echter met haar van mening over de waarde van het nieuwe stadskantoor. Volgens mij laat de nieuwbouw overtuigend zien dat niet alle moderne architectuur per definitie lelijk hoeft te zijn. Het nieuw gebouwde stadhuis vloekt niet met zijn omgeving, maar maakt duidelijk dat ook in het heden decoratieve bouwkunst aansprekend kan zijn.
De architect Adolf Loos kwam ooit, aan het begin van de twintigste eeuw, met een invloedrijke lezing met de titel ‘Ornament und Verbrechen’ (Ornament en misdaad). Hierin keerde hij zich tegen alles wat decoratief was in de bouwkunst, omdat hij decoratie associeerde met nare reactionaire praktijken en overbodige versiering. Het gaat om een in het heden zeer achterhaalde visie, niet zozeer onder architecten als wel in de maatschappij. Veel mensen denken als ze moderne bouwkunst zien na over de menselijke imperfectie: hoe is het toch mogelijk dat zulke gebouwen neergezet worden? Het lijkt me onwaarschijnlijk dat over tweehonderd jaar nog veel van de moderne, niet-decoratieve bouwkunst gewaardeerd zal worden, of er überhaupt nog zal zijn. Zou het niet het doel van architecten moeten zijn om mooie gebouwen te maken? Gebouwen die passen bij waar behoefte aan is en die ook nog een zekere schoonheid uitdragen?
Dat streven naar schoonheid betekent niet per se dat gebouwen niet ook vernieuwend kunnen zijn. Het stadhuis in Deventer kreeg de publieksprijs BNA beste gebouw van het jaar 2017. De vakjuryprijs van de branchevereniging Nederlandse architectenbureaus daarentegen ging unaniem naar het klinische, sfeerloze station Breda, wat duidelijk maakt dat de hedendaagse visie van Nederlandse architecten nog vrij ver afstaat van de wensen van mensen. De publieksprijs voor het Deventer gebouw lijkt me wel terecht. Het nieuwe stadhuis in Deventer is zowel modern als decoratief, wat duidelijk maakt dat moderne bouwkunst niet per definitie strak, gestroomlijnd en afzichtelijk hoeft te zijn. Het moderne stadhuis sluit aan bij de oude gebouwen die het omgeven.
Deventer is een stad met een rijke historie. Daarop heb ik me echter niet gericht tijdens de wandeling. Ik heb vooral gekeken naar de manier waarop in de plaats effecten van verledenheid worden geschapen, hoe in de gebouwen, objecten en decoraties wordt aangesloten bij een gevoel dat ‘vroeger’ oproept voor de toerist. In het historische centrum zijn detonerende aspecten veelal vermeden. Er worden verschillende verledens vermengd tot een totaalplaatje dat voor diegenen die door de locatie kuieren coherent oogt. Het gaat om een esthetisch vroeger dat door zijn andersheid verlokt.
Er wordt een spel gespeeld met het verleden en de menselijke fantasie, bijvoorbeeld in figuratieve uithangborden of sierlijke ornamentiek. Dit alles past in een erfgoedbenadering waarin het verleden vooral nut in het heden moet hebben, in dit geval is dat nut de bezoeker of bewoner betoveren met sprookjesachtige schoonheid. Dergelijke effecten kunnen onder de noemer ‘affectieve economie’ worden geplaatst, een term van de postkoloniale wetenschapper Sara Ahmed: de toerist wordt aangezet te genieten van wat hij of zij ziet en wordt zo aangespoord tot consumptie. In die zin wordt er retorische macht over hem of haar uitgeoefend. Zo werd onze ervaring in het genoemde café mede bepaald door de bewust ‘gezellig’ gemaakte omgeving. Dat is verder niet erg, maar het voegt wel wat toe als men er zich van bewust is dat men bespeeld wordt.
Hoe meer men begrijpt van de retorische strategieën achter de omgeving waardoor men slentert of waar men verblijft, des te meer zal men verrijkt worden door wat men ziet en zal men peinzen over de complexiteit van de mens als cultuurwezen.
Voor een andere stad met een historisch centrum zie: dordrecht
Olivier Rieter
Foto's: S. Crawford en A.J.A. Hendrikx
Op een mooie dag in mei bracht ik met enkele vrienden een bezoek aan Deventer. Ik was nooit eerder in deze Hanzestad geweest, al maakte ik ooit een bewerking van een volksverhaal uit de stad. In wat volgt wil ik verslag doen van mijn indrukken en associaties bij het wandelen door deze locatie. Het gaat me niet om de geschiedenis van Deventer an sich, hoe interessant ook, maar om de effecten van ‘verledenheid’ die worden opgeroepen door de visuele prikkels die we waarnamen.
Welk verhaal wordt in Deventer over ‘vroeger’ verteld en hoe wordt er een bepaalde sfeer opgeroepen. Het gaat me dus om de manier waarop met het verleden gespeeld wordt en de wijze waarop de bezoeker bespeeld wordt.
Dickens
Deventer is tegenwoordig mede bekend van het Dickensfestival waarin mensen als negentiende eeuwers uitgedost naar de Overijsselse plaats afreizen. In het straatbeeld zien we onder meer door muurschilderingen verwijzingen naar Dickens en ook diverse etalages zijn aan de schrijver en zijn personages gewijd.
De connectie van Deventer met Dickens is in eerste instantie historisch gezien moeilijk te duiden: geen van Dickens’ verhalen speelt immers in Deventer en ook Dickens zelf was tijdens zijn leven niet met Deventer bezig.
Het verband tussen Deventer en Dickens is dus niet vanzelfsprekend. De connectie lijkt te zijn dat zowel de stad als het oeuvre van de Britse literator naar ‘vroeger’ verwijzen. Dat het om verschillende verledens gaat is voor de bezoeker aan het festival uiteindelijk misschien niet relevant, het gaat hen om het decor van ‘verledenheid’ waartegen de ouderwetse dracht goed uitkomt, terwijl de historicus eerder geneigd is ‘waarom’- vragen te stellen. ‘Waarom Dickens?’ ‘Waarom wordt er in het festival verwezen naar de negentiende eeuw terwijl veel van de huizen uit het grote centrum van Deventer ouder zijn?’
Dergelijke vragen zijn voor de belevingsconsument echter niet heel relevant. Die doet historische kennis en duiding mogelijk af als ‘leuke weetjes’, uiteindelijk vrij irrelevante informatie.
Het verband tussen Deventer en Dickens is dus kunstmatig. Het gaat, samengevat, om een relatie tussen verschillende verledens die voor de niet-historisch geschoolden natuurlijker is dan voor historici.
Objecten
Het gevoel en de sfeer van ‘vroeger’ kunnen bij mensen worden opgeroepen als ze in contact komen met objecten uit het verleden die aanwezig zijn in het heden. Men heeft dan een ‘o ja’- gevoel: in het verleden was het leven nog niet gestroomlijnd. In onze wandeling zagen we bijvoorbeeld een brievenbus buiten gebruik, die mooi paste bij zijn omgeving. Allerlei verledens (veel van de gebouwen zijn natuurlijk veel ouder dan de brievenbus) vormen samen een coherent geheel waarin naar ‘vroeger’ wordt verwezen. Zo vermengt men actief elementen in het straatbeeld zodat er bij de bezoeker een beeld van esthetiek ontstaat. Hij of zij ziet vooral de bekoorlijkheid van de visuele prikkels die de connotatie ‘vroeger is anders en misschien mooier’ hebben.
Decoratie
De getoonde in het stadslandschap getoonde objecten hebben een decoratieve waarde. Door sierlijkheid, fantasie en verwijzingen naar vroeger wordt er een cultureel spel gespeeld. De bezoeker die oog heeft voor de details van alles om hem of haar heen, zal meer uit een bezoek halen dan de toerist die soms niet werkelijk begrijpt wat wordt waargenomen.
Bij details gaat het vaak om ornamenten en versieringen die verwijzen naar een periode voor de functionalistische moderniteit. Dat ornament ook een functie heeft, namelijk een schoonheidseffect bewerkstelligen, dringt niet door tot een groot deel van de hedendaagse architecten.
Kroeg
Met mijn tochtgenoten bezocht ik enige terrassen en kroegen om de sfeer van Deventer te proeven. Een van mijn vrienden had ooit gewoond in Deventer en hij vertelde honderduit over zijn herinneringen, waarbij hij soms ook nog ging zingen. Zijn stamkroeg was destijds ‘De heksenketel’ een plek die nu korter ‘de heks’ bleek te heten.
We dronken er allerlei alcoholische dranken, die onze beleving kleurden. We waren er in een vertrouwde omgeving, omdat alle bruine kroegen in alle steden in Nederland sterk op elkaar lijken, een bewuste strategie om mensen zich op hun gemak te laten voelen, een ‘thuis-gevoel te scheppen. De bruine kroeg is een nostalgiserende plaats waar het hele interieur een emotioneel effect bewerkstelligt. Doordat de eigen beleving wordt afgegrensd van de rest van de omgeving met zijn talloze niet-eenduidige prikkels voelt de bezoeker zich er veilig in een coherente omgeving.
Opvallend aan bruine kroegen is dat er relatief gezien niet veel allochtonen komen. Het lijkt te gaan om een vorm van autochtone gezelligheid.
Voor meer over kroeggezelligheid:
de-huiskamer-van-de-geest.
Stadhuis
Het is hier niet mijn bedoeling veel over architectuur of architectuurvisies te zeggen. (zie voor meer over achitectuur: architectuur.)
Over een bepaald gebouw wil ik echter iets meer opmerken. Bij het passeren van het nieuwe stadhuis van Deventer hoorde ik een vrouw in Overijsselse tongval tegen haar vriendin zeggen: ‘Wat een ontzettend lelijk gebouw, naast dat mooie gebouw’. Ze had het over de nieuwbouw van het Deventer stadhuis, naast een inderdaad mooi oud ogend pand. Ik verschil echter met haar van mening over de waarde van het nieuwe stadskantoor. Volgens mij laat de nieuwbouw overtuigend zien dat niet alle moderne architectuur per definitie lelijk hoeft te zijn. Het nieuw gebouwde stadhuis vloekt niet met zijn omgeving, maar maakt duidelijk dat ook in het heden decoratieve bouwkunst aansprekend kan zijn.
De architect Adolf Loos kwam ooit, aan het begin van de twintigste eeuw, met een invloedrijke lezing met de titel ‘Ornament und Verbrechen’ (Ornament en misdaad). Hierin keerde hij zich tegen alles wat decoratief was in de bouwkunst, omdat hij decoratie associeerde met nare reactionaire praktijken en overbodige versiering. Het gaat om een in het heden zeer achterhaalde visie, niet zozeer onder architecten als wel in de maatschappij. Veel mensen denken als ze moderne bouwkunst zien na over de menselijke imperfectie: hoe is het toch mogelijk dat zulke gebouwen neergezet worden? Het lijkt me onwaarschijnlijk dat over tweehonderd jaar nog veel van de moderne, niet-decoratieve bouwkunst gewaardeerd zal worden, of er überhaupt nog zal zijn. Zou het niet het doel van architecten moeten zijn om mooie gebouwen te maken? Gebouwen die passen bij waar behoefte aan is en die ook nog een zekere schoonheid uitdragen?
Dat streven naar schoonheid betekent niet per se dat gebouwen niet ook vernieuwend kunnen zijn. Het stadhuis in Deventer kreeg de publieksprijs BNA beste gebouw van het jaar 2017. De vakjuryprijs van de branchevereniging Nederlandse architectenbureaus daarentegen ging unaniem naar het klinische, sfeerloze station Breda, wat duidelijk maakt dat de hedendaagse visie van Nederlandse architecten nog vrij ver afstaat van de wensen van mensen. De publieksprijs voor het Deventer gebouw lijkt me wel terecht. Het nieuwe stadhuis in Deventer is zowel modern als decoratief, wat duidelijk maakt dat moderne bouwkunst niet per definitie strak, gestroomlijnd en afzichtelijk hoeft te zijn. Het moderne stadhuis sluit aan bij de oude gebouwen die het omgeven.
Deventer is een stad met een rijke historie. Daarop heb ik me echter niet gericht tijdens de wandeling. Ik heb vooral gekeken naar de manier waarop in de plaats effecten van verledenheid worden geschapen, hoe in de gebouwen, objecten en decoraties wordt aangesloten bij een gevoel dat ‘vroeger’ oproept voor de toerist. In het historische centrum zijn detonerende aspecten veelal vermeden. Er worden verschillende verledens vermengd tot een totaalplaatje dat voor diegenen die door de locatie kuieren coherent oogt. Het gaat om een esthetisch vroeger dat door zijn andersheid verlokt.
Er wordt een spel gespeeld met het verleden en de menselijke fantasie, bijvoorbeeld in figuratieve uithangborden of sierlijke ornamentiek. Dit alles past in een erfgoedbenadering waarin het verleden vooral nut in het heden moet hebben, in dit geval is dat nut de bezoeker of bewoner betoveren met sprookjesachtige schoonheid. Dergelijke effecten kunnen onder de noemer ‘affectieve economie’ worden geplaatst, een term van de postkoloniale wetenschapper Sara Ahmed: de toerist wordt aangezet te genieten van wat hij of zij ziet en wordt zo aangespoord tot consumptie. In die zin wordt er retorische macht over hem of haar uitgeoefend. Zo werd onze ervaring in het genoemde café mede bepaald door de bewust ‘gezellig’ gemaakte omgeving. Dat is verder niet erg, maar het voegt wel wat toe als men er zich van bewust is dat men bespeeld wordt.
Hoe meer men begrijpt van de retorische strategieën achter de omgeving waardoor men slentert of waar men verblijft, des te meer zal men verrijkt worden door wat men ziet en zal men peinzen over de complexiteit van de mens als cultuurwezen.
Voor een andere stad met een historisch centrum zie: dordrecht